Zenuwslopend, dat was de aanloop zeker. Douchen, tandenpoetsen, roken, tandenpoetsen, kotsen, douchen, roken, tandenpoetsen en dat nog een keer. Uiteindelijk kwam ik die cirkel uit, kon de kleren verdragen die in aan had en liep mee naar de auto. We doen het vandaag stap voor stap.
Aangekleed. Naar de auto. In de auto.
c rijdt, ik probeer ernaast kalm te blijven. Niet in paniek te raken terwijl we Stad steeds verder achter ons laten. Na een kwartier moeten we al stoppen, ik moet roken. Een half uur later weer. Ik merk best aan c dat ie op z'n tong moet bijten, maar hij laat het gaan. De stress moet ergens heen tenslotte. Ik probeer me te beheersen, het kost steeds meer moeite. Toch maar weer stoppen om te roken dan.
Maar uiteindelijk komen we er, parkeren, c stapt in dezelfde beweging uit en ik, ik blijf zitten. Het lukt niet, ik durf het niet. Het moet, de jongen wacht op me en ik kan het niet maken om te draaien.
We lopen een kort stukje naar zijn huis, hij staat al voor de deur te wachten, ik kan zien dat hij blij is. Ik aarzel, weet niet goed hoe te beginnen, maar hij grijpt mijn hand en sleurt me haast mee naar binnen, laat het huis en vooral zijn kamers zien. Stelt me dan voor aan huisgenoten; mijn vader, Q, en c, zijn man. Dat klinkt beter dan hoe J dat vroeger deed.
We zien wat van de stad, doen lunch, praten voorzichtig over hoe het gaat. Voorzichtig, om vooral geen wonden aan te raken. Geen vragen stellen, elkaar niet belasten. En dus praten we wat over zijn studie, over mijn korte termijn plannen. Over z'n zus en ik moet hem me inhouden niet naar D te vragen, hoe het met haar is. Hij zegt het dan zelf al, dat het goed met z'n moeder gaat.
Elk kwartier sta ik op, naar buiten, weg, ruimte, sigaret. Na de derde loopt hij mee, kijkt hoe ik rook, praat door. Het voelt wat ongemakkelijk, mijn ruimte is weg. Maar dit is mijn jongen, toch, als is ie inmiddels niet veel kleiner meer dan ik. Ik weet nog hoe zachtaardig hij vroeger was, dat ik me daar soms zorgen over maakte. En ik vertel hem van die ene keer dat hij in een vechtpartij met een vriendje belandde, omdat die iets lelijks over zijn zus had gezegd. Hij herinnert het zich ook, vult het aan. Jij zei, als ze aan iemand komen van wie je houdt en je vindt het nodig, deel dan eerste klap uit.
Ja, opvoedkundig wonder ben ik.